logo bilzen

Nieuws

17-11 - Zware...
13-11 - Werken...

Facebook

Bosbeheerplan

De stad Bilzen heeft sinds 2005 een bosbeheersplan. Elke stad met meer dan 5 ha bos is verplicht om een bosbeheersplan op te stellen.

De criteria voor duurzaam bosbeheer zijn ingedeeld in vijf groepen:

Groep 1. Het waarborgen van de socio-economische functies
Omvat criteria als de naleving van wettelijke regelingen, de herkenning van het belang van participatie, de aandacht voor recreatieve en cultuurhistorische elementen, en de uitbouw van scholings-, gezondheids- en veiligheidsvoorzieningen.

Groep 2. Het waarborgen van de productie- en economische functies
Omvat criteria die onder meer gericht zijn op het behoud van het bos en de standplaatskwaliteit, de capaciteit van natuurlijke regeneratie en de bosbeheer - en exploitatievormen.

Groep 3 en 4. Milieu
Is opgevat zoals in het Decreet algemene bepalingen van het milieubeleid. Het betekent dus niet alleen de atmosfeer, de bodem en het water, maar ook de ecosystemen, de flora, de fauna en de overige organismen andere dan de mens. Zo omvat groep 3 criteria voor het behoud en de bescherming van het milieu, met onder meer verzuring, vermesting, verspreiding, verwijdering, terwijl groep 4 criteria omvat voor het behoud en de bevordering van de biodiversiteit in bosecosystemen.

Groep 5. Criteria m.b.t. planmatig en controleerbaar beheer
Omvat verschillende criteria voor het bosbeheer, waarbij een belangrijke rol is weggelegd voor beheerplannen en voor de implementatie daarvan.

 Wat betekenen de criteria in de praktijk?
In de praktijk zal niet elk onderdeel van een bos op ieder ogenblik aan alle criteria duurzaam bosbeheer kunnen voldoen. Via het bosbeheerplan wordt het totaalbeeld getoetst aan het streven naar een duurzaam bosbeheer. De beheermaatregelen in het beheerplan moeten aantonen dat de indicatoren binnen een aanvaardbare termijn en op een verantwoorde wijze zullen worden bereikt. De criteria voor duurzaam bosbeheer gelden dus als een algemeen afwegingskader voor het gevoerde bosbeheer. Zoals opgemerkt door de MINA-raad en de Vlaamse Hoge Bosraad, gaat deze responsabilisering van private en lokale openbare boseigenaars, gepaard met concrete ondersteuning. Bosgroepen worden volledig ingeschakeld bij de promotie van de criteria voor duurzaam bosbeheer. Verschillende operationele bepalingen in uitvoeringsbesluiten (bij de beheerplannen, bij de erkenning en subsidiëring van bosgroepen) verwijzen dan ook naar de criteria voor duurzaam bosbeheer.

Hoe zijn de criteria tot stand gekomen?
Op de UNCED-conferentie van Rio de Janeiro in 1992 werd geen overeenstemming bereikt over een mondiale bossenconventie. Toch werden daarna verschillende internationale regionale processen opgestart met het oog op het behoud, de bescherming en de duurzame ontwikkeling van bossen. In die processen kwamen twee vragen centraal te staan: Wat is duurzaam bosbeheer? En hoe evalueren we de vooruitgang die we maken op de verschillende niveaus inzake duurzaam bosbeheer? Als antwoord daarop werd het concept van de criteria en indicatoren voor duurzaam bosbeheer ontwikkeld. Dat was oorspronkelijk bedoeld als instrument voor beleidsevaluatie, maar al gauw gold het ook als handleiding voor verantwoord bosbeheer in de praktijk. In Europa wierp de Ministeriële Conferentie ter Bescherming van de Bossen in Europa, ook bekend als het pan-Europees ministerieel bossenproces, zich op als motor in zo’n regionaal proces. Op de derde ministeriële conferentie (Lissabon, juni 1998) werden naast een resolutie over socio-economische aspecten van duurzaam bosbeheer, de zogenaamde Helsinki-criteria en -indicatoren, en een aantal concretere criteria voor het praktische bosbeheer (Pan European Operational Level Guidelines) goedgekeurd. Die laatste moeten het mogelijk maken om de principes makkelijker naar het dagelijkse bosbeheer te vertalen. Op de vierde ministeriële conferentie van Wenen in 2003 werd tot slot een verbeterde lijst van pan-Europese indicatoren voor duurzaam bosbeheer goedgekeurd.

Los van die officiële inspanningen hebben een aantal NGO’s ook een certificering uitgewerkt voor duurzaam beheerde bossen. Het bekendste initiatief is het ‘Forest Stewardship Council’ (FSC),dat een ecolabel wil toekennen aan hout dat uit goed beheerde bossen afkomstig is. Als voorwaarde voor het praktische terreinbeheer werd een internationaal geldende set van criteria opgesteld, die per deelnemend land kan worden verscherpt. In België leidde het FSC-proces tot een brede discussie. Later is ook een pan-Europees certificeringsproces opgestart dat nu onder de koepel van het PEFC (Programme for the Endorsement of Forest Certification schemes)vaart.

Naar aanleiding van de certificering van duurzaam beheerde bossen in België en Vlaanderen, stemde het Vlaams Parlement op 4 maart 1998 een resolutie met betrekking tot duurzaam bosbeheer. Het Vlaams Parlement vroeg aan de Vlaamse Regering om in overleg met de Vlaamse Hoge Bosraad en de MiNa-Raad concrete beheerscriteria voor duurzaam bosbeheer vast te stellen. De MiNa-Raad bracht daarover advies uit op 6 oktober 1998. De tekst van dat advies werd verder opgenomen in het Belgische FSC-proces. Door middel van een openbaar onderzoek (dat vereist is volgens de FSC-procedure), werden enkele aanpassingen aangebracht, zodat de huidige FSC-criteria op enkele punten toch nog van die van de MiNa-raad afwijken.

Met de wijziging van het Bosdecreet kreeg de Vlaamse Regering de bevoegdheid om criteria voor duurzaam bosbeheer vast te stellen en om te bepalen op welke bossen die van toepassing zijn. De uiteindelijk vastgelegde Vlaamse criteria duurzaam bosbeheer steunen inhoudelijk op het advies van de MiNa-Raad, al zijn ze overzichtelijker gestructureerd, en maken ze onderscheid tussen principes, criteria en concrete indicatoren.

Om de principes voor duurzaam bosbeheer te realiseren, moet het beheer aan bepaalde criteria voldoen. Die beschrijven de veelzijdige aspecten van het begrip duurzaamheid op een conceptueel niveau. Bovendien moeten de criteria eenvoudig, duidelijk, significant en controleerbaar zijn. Of een criterium wordt nageleefd, gaat men na aan de hand van indicatoren. Dat zijn meetpunten die aanwijzen of aan een criterium wordt voldaan, en die betrekking kunnen hebben op verschillende aspecten van hetzelfde criterium. Een overzicht van de criteria voor duurzaam bosbeheer vind je in de bijlage van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2003. In de tekst van het besluit heeft de Vlaamse Regering aangegeven dat de criteria verplicht zijn voor alle domeinbossen, openbare bossen en bossen die in het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) gelegen zijn.

Voor de bossen in het VEN moet de toepassing van de criteria voor duurzaam bosbeheer worden beschouwd als de implementatie van art. 25, §1, 1° en 26, §1,1° van het decreet natuurbehoud, met name het bevorderen van een natuurgerichte bosbouw. De bedoelde bossen die worden beheerd volgens de vermelde criteria, en waarvan de concrete beheerrichtlijnen zijn opgenomen in een goedgekeurd beheerplan, voldoen tegelijk aan de voorwaarden van de bepalingen van het decreet natuurbehoud. Natuurrichtplannen kunnen nog aanvullende richtlijnen opleggen, eventueel binnen het kader van een algemeen maatregelenbesluit, krachtens art. 13 en Afdeling 4 van Hoofdstuk V van het decreet natuurbehoud of als toepassing van de overige bepalingen van de art. 25 en 26 van dat decreet.

Lees hier het bosbeheerplan van Bilzen + uitbreiding